
Het afgelopen jaar zijn er veel juridische ontwikkelingen geweest op het gebied van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Zo werd onder andere bekend dat het voornemen nu toch echt is om het oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken bij de beoordeling van de re-integratie inspanningen door het UWV na twee jaar ziekte. Alleen zal dat nog wel even duren. De planning is dat dit in januari 2028 zal veranderen. Tot die tijd zullen nog genoeg loonsancties worden opgelegd, omdat werkgevers afgaan op een onjuist medisch oordeel van de bedrijfsarts. In mijn eigen praktijk heb ik in 2025 ook weer genoeg werkgevers mogen bijstaan bij wie dit het geval was.
Een lichtpunt in 2025: de rechtbank Oost-Brabant heeft in de uitspraak van 20 mei 2025 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:2759) gepoogd werkgevers opnieuw een reikende hand te bieden door een nuancering op de ‘voor rekening en risico benadering’ als een werkgever bij de re-integratie van een zieke werknemer is afgegaan op een achteraf onjuist oordeel van de bedrijfsarts. In 2026 zal de Centrale Raad van Beroep over deze uitspraak van de rechtbank een definitief oordeel geven. Waarbij het maar zeer de vraag is of de Centrale Raad van Beroep (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:2216) op haar eerder ingenomen standpunt – dat er geen ruimte is om de voor rekening en risico benadering te nuanceren – terug zal komen. Dat is nog even afwachten.
Overigens heeft de Raad in die uitspraak uit 2023, wel een ‘professionele marge’ aangenomen als ‘escape’. Deze marge houdt in dat het UWV terughoudend moet toetsen of de bedrijfsarts op basis van de toen bekende feiten redelijk heeft gehandeld, waarbij een andere beoordeling achteraf door de verzekeringsarts van het UWV onvoldoende is om te concluderen dat de bedrijfsarts tekort is geschoten.
Zo vlak voor het einde van het jaar, heeft de Raad in de uitspraak van 17 december 2025 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1866) een werkgever in ieder geval wél de reikende hand geboden die bij de re-integratie van een zieke werknemer is uitgegaan van een marginale belastbaarheid. De rechtbank heeft het argument van de werkgever – dat zij mocht afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts – van tafel geveegd.
De Raad komt in hoger beroep echter tot een ander oordeel (helaas niet m.b.t. de ‘voor rekening en risico benadering’), maar wel over het oordeel van de rechtbank dat de werkgever – kort gezegd – had mogen vertrouwen op het tijdens de re-integratie gevraagde deskundigenoordeel van het UWV. Het UWV heeft namelijk in een deskundigenoordeel o.a. bevestigd aan de werkgever dat enkel voorbereidende stappen in spoor 2 gezet konden worden gezien de marginale belastbaarheid van de werknemer. Omdat de belastbaarheid naderhand niet is gewijzigd, is het volgens de Raad logisch dat de werkgever het advies van de bedrijfsarts t.a.v. voorbereidende stappen in het tweede spoor is blijven volgen.
De Raad vindt dat de bedrijfsarts met het oordeel de professionele marge niet heeft overschreden en als dat al het geval zou zijn, dan is er een deugdelijke grond dat de werkgever heeft vertrouwd op het advies van de bedrijfsarts.
Kortom: opnieuw de escape van de professionele marge en de loonsanctie komt in deze zaak te vervallen.
Voorlopig is de professionele marge de ruimte die de Raad biedt bij een loonsanctie die is opgelegd vanwege een onjuist advies van de bedrijfsarts. Vermoedelijk zal dit nog wel even zo blijven totdat het wetsvoorstel, om het advies van de bedrijfsarts leidend te maken bij de toetsing van de re-integratie inspanningen van werkgevers door het UWV, in werking is getreden.
Fijne jaarwisseling en op naar een gezond 2026!
